Een ernstige sportblessure


“Wat een geslaagde afsluiting van de avond!”, denkt hij terwijl hij even vlug zijn ogen laat glijden op het meisjesachtige gezicht onder hem. Haar voorhoofd glimt van het zweet, de ogen gesloten, het hoorbare kreunen zo bewust ingehouden. Vorige week waren ze elkaar tegengekomen bij de bushalte: het regende en de bus was verlaat. De ideale omstandigheden voor verbroedering en ze hadden nummers uitgewisseld. Hij had de stoute schoenen aangetrokken en haar mee uit gevraagd en nu de eerste avond zoveel sneller dan verwacht tussen de lakens is geëindigd laat hij alle gêne varen om zijn wellustige geslachtsdrift te bevredigen en haar hijgen te horen aanzwellen. Dit is geen seks meer denkt hij: dit is pompen! Maar als zij zich iets manoeuvreert – haar beweegreden hiervoor zal niet worden opgehelderd – is de climax plots van binnen handbereik verdwenen naar oneindig ver weg.

Zijn schreeuw is oorverdovend, maar als zij haar ogen naar hem opricht kan zij weinig genot lezen uit het gezicht boven haar. Deze halfopen mond, die samengeknepen ogen, die rimpels in de neus, die opgetrokken schouders kunnen toch nooit het resultaat zijn van een orgasme? Daarvoor ademt zijn gehele houding te veel pijn en solisme uit: hij is haar volledig vergeten. Hij rolt naar links, tegelijkertijd zijn beide handen naar zijn geslacht brengend, zich naast haar opkrullend als een egel. Opnieuw die schreeuw, nog harder nu. Sssst! De buren!

Het is na middernacht en de eerste hulp is leeg. Verpleegkundigen vullen de kasten bij, ordenen medicijnen, doen lichten uit in de behandelkamers. De receptioniste zet koffie, de bewaker sloft naar binnen, zaklamp op de grond voor hem schijnend en ik zoek tussen de dvd’s naar een geschikte. Een taxi stopt voor de slagboom, de bel gaat en de receptioniste stelt haar vraag: “Waar komt u voor?”. “Eerste hulp!” is het duidelijke antwoord en de slagboom gaat open.

De deur wordt opengedaan en een man strompelt binnen. Trainingbroek, wit T-shirt, slippers, ongekamd haar, ondersteund door een vrouw in een smetteloze outfit, mooie paarse laarzen ook. Haar haar zit los en haar ogen roepen om hulp. De man zijn ogen roepen niets. Samengeknepen zien ze niets anders dan de tegels voor zijn voeten. “Goedenavond!” begroet de receptioniste hen vriendelijk. De vrouw kijkt haar aan, zegt niets, weet zich geen raad en brengt de man naar een verlaten rolstoel die hij met beide handen beetpakt. Voorover gebogen gaat hij zitten, met zijn tepels op zijn knieën, de armen over elkaar, zachtjes heen en weer wiegend.

Hij kermt nog steeds als hij zijn broek laat zakken. Een onderbroek heeft hij niet aan. Het geheel zich eruit alsof het met een betonhamer is bewerkt. De penis staat gekruld, buigt af naar rechts. Een druppel bloed komt uit de plasbuis. De blauwe balzak glanst en staat bol gespannen. De aanblik doet pijn aan mijn onderbuik. Heb de neiging mijn eigen gelid met de hand als een toque te beschermen. Hij krijgt pijnstilling en de uroloog wordt gebeld.

De man heeft een penis fractuur. In de regel is de anamnese en het lichamelijk onderzoek genoeg om de diagnose te stellen. Tijdens de erectie vullen de twee zwellichamen zich met bloed, de wand ervan wordt hierdoor dunner en krachtig uitwendig geweld (vaak niet zo bedoeld) is een tweede voorwaarde voor het ontstaan ervan. Bekend is bijvoorbeeld de partner die op haar rug op het bureau ligt. De man slooft zich uit, zijn penis glipt eruit en drukt zich vervolgens tegen het glimmende eikenhout dat hier weinig flexibel mee omspringt.

De man wordt de volgende dag geopereerd. De anesthesist spreekt over een ernstige sportblessure. “Dit gebeurt als jij naar rechts wil en je vriendin naar links”. Het gescheurde zwellichaam wordt gehecht. Maanden seksuele onthouding op doktersadvies volgen. Alsof hij nog zin heeft.

Hij lekt!




Hij is onderweg naar zijn kleindochter. Samen met zijn vrouw rijden ze van Katwijk naar Putten. Zo ergens halverwege begint de pijn op zijn borst. Eerst wat hinderlijk maar al vrij snel aangezwollen tot het ondraaglijke. De pijn straalt nu ook uit naar de rug, hij wordt misselijk en moet de auto aan de kant zetten om in de berm van de A1 te braken. Zijn vrouw herkent hem niet meer: zo bleek, zo benauwd, zo angstig. Ze belt 112.

Bij binnenkomst vertelt de ambulancebroeder dat hij in eerste instantie dacht dat de man er tussen uit zou glippen. Het ambulancejargon is gespeend van enigerlei franje en in de regel treffend accuraat. Een blik op de man zegt genoeg: zweet parelt op zijn voorhoofd, de bruine teint verdreven door een asgrauwe gelaatsuitdrukking waarin zich twee doodsbange ogen verschuilen. De assistent van de interne geneeskunde mag aan de slag: de man maakt naar alle waarschijnlijkheid een hartaanval door.


Ik haal koffie en zie op mijn computerscherm dat Federer heeft gewonnen. Ik scroll door de plaatjes, bekijk de setstanden en bewonder de man om zijn manieren zowel op als buiten het veld. Of ik ook even mee wil kijken naar de thoraxfoto? De stem van de assistent van de interne klinkt wat ver weg maar is toch zeker aan mij gericht. Ik verklein www.rolandgarros.com en open de thoraxfoto van de man. De assistent denkt een afwijking te zien die er zeker is. Of het hart is te groot, of er bevindt zich materie rond het hart dat er niet hoort te zitten: in dit geval bloed. En dan zijn de woorden gevallen die haastige spoed gebieden en is de tijd van rustig plaatjes op internet bekijken definitief voorbij: heeft de man geen lekkend aneurysma of een dissectie van de aorta?

Ik ga bij de man kijken en hij is overduidelijk in shock: hartfrequentie door het plafond, koude handen, klamme buik en dit alles met het volste bewustzijn: in een poging het brein van voldoende bloed te voorzien knijpt het lichaam alle vaten naar elders dicht. Tot nu toe gaat dat redelijk getuige de adequate reactie van de man op mijn vragen maar bij een actieve bloeding in de borstholte zal ook dat weldra verdwijnen.

Een CT scan moet uitkomst bieden en terwijl deze als een ouderwetse fotocamera wordt opgewarmd, loop ik naar de balie om de vaatchirurg te informeren over de man in kwestie. In de hal staat zijn echtgenoot tegen alle regels in te bellen. Geen haan die naar haar kraait: op het laboratorium zijn ze inmiddels met alle macht bloed aan het voorbereiden voor een eventuele transfusie, de radioloog komt met een noodgang de parkeerplaats opgereden, de assistent interne belt met de academie om te polsen waar er plek is op de operatiekamer, verpleegkundigen duwen de man richting de scan waar de laborant de gegevens invoert, de receptioniste print papieren uit en schakelt alle telefoongesprekken aangaande de patiënt direct door op de juiste nummers. Het hele systeem draait nu en aandacht voor de vrouw is er nauwelijks, behalve aan de andere kant van de lijn waar ze haar dochter vertelt over het gebeuren.


De man heeft een aneurysma. Leeftijd, een beetje cholesterol, wat roken en mogelijk een familiaire aanleg hebben de wand van zijn aorta week gemaakt. De bloeddruk heeft de eens zo starre buis met een diameter van 2 cm doen uitzetten tot een ballon van 6 cm. Dat wist hij niet, niemand wist dat. Totdat er een scheur ontstond in de dunne wand en bloed zich een weg naar buiten wrong. Een nieuwe buis moet de oplossing bieden maar de dichtstbijzijnde mannen (nagenoeg geen vrouwen) die dit moeten doen zitten in Nieuwegein of Amsterdam. Via de lies wordt een prothese opgevoerd waarmee het aangedane traject wordt overbrugd. Nu nog iemand vinden die bereid is dat over ongeveer een half uur te doen.

De vaatchirurg is er inmiddels en zij kent er gelukkig een aantal bij naam en in haar mobiele telefoon zoekt ze tussen haar vrienden en familie naar het 06 nummer van die ene thoraxchirurg die dat “alleen maar lachen” vindt. Hij ligt al te slapen dus dat lachen wordt achterwege gelaten maar de patiënt is van harte welkom. “Geef je een CD-Rommetje mee met de beelden?” en er wordt opgehangen. De man ligt inmiddels al op dezelfde brancard waarmee hij is binnen gereden en de ambulancebroeder is verbaasd hem nog in leven te zien maar weet dit zeer goed te verbergen. Het bloed in de borstholte neemt allengs toe, de zuurstof uit de longen verdrijvend, de benauwdheid hiermee alleen maar versterkend De vaatchirurg besluit mee te rijden en ze pakt voor het instappen nog snel een grote spuit morfine. Voor het geval dat.

En dan keert de rust weder maar is de adrenaline in ieders lijf nog lang voelbaar. Bij het ochtendgloren bel ik naar Nieuwegein. De man leeft nog, in zijn aorta een gloednieuwe buis. Hij ligt op de intensive care, beademd met ondersteuning van de bloeddruk. Maar hij plast en als hij plast dan is er circulatie en als er circulatie is dan is de thoraxchirurg tevreden.

Iets minder dan de helft van de mensen met een lekkend aneurysma in de borstkas haalt het ziekenhuis. Hiervan overlijdt 50% binnen 6 uur en 75% binnen 24 uur.

Chinglish


Ze wilde me het leven buiten de stad laten zien, mij een blik verschaffen op het Chinese platteland, tonen dat er toch echt wel zon kan schijnen buiten de stadsgrenzen van het met smog bedekte centrum. En zo rijden we oostwaarts, in haar auto, ik op de passagiersstoel, me verbazend over het diverse aanbod aan voertuigen op de snelweg die helemaal totaan Peking loopt, zo’n 3000 kilometer verderop. Het wolkendek wordt lichter, de zon begint te schijnen en ik zet de radio met “really American music” een beetje harder.

Jenny neemt me mee naar een dorp met natuurlijke warmwaterbronnen buiten Guangzhou, het oude Canton. Het is bijna 3 uur rijden, langs brommers beladen met pluimvee en lycheeboomgaarden. Het landschap is glooiend, de dorpjes nog armoedig. Ze vertelt me dat er hier al andere dialecten van het Cantonees worden gesproken: “You really must think about your pronounciation!”, luidt haar advies. Ik knik en hopelijk begrijpt ze dat ik haar woorden zeker niet in de wind zal slaan.

Als haar nood hoog is stopt ze op een afgelegen parkeerplaats. Het is inmiddels pikdonker. Ze weet een boerderij in de buurt waar ze 5 jaar geleden ook al een keer gebruik heeft gemaakt van een gat in de grond en ze loopt het steile zandweggetje omhoog en de zaklantaarn in haar hand verraadt haar spoor, hetgeen ik braaf volg.

Honden, varkens en kippen begroeten ons ieder op hun eigen wijze. Het is een ongekend dierenorkest waar de werknemers van de boer hun onverstaanbare doch absoluut Cantonese decibellen aan toevoegen. De boer staat erop dat we blijven eten en terwijl Jenny in het donker een gat zoekt, mag ik van de boer een kip uitzoeken. Het wordt een bruine, waar ik nog wel enige moeite voor moet doen.

De kip wordt onthoofd en het siepelende bloed uit de halsslagaders wordt opgevangen in een kommetje. Als de boer vervolgens een soep maakt, pluk ik de veren. Als hij kaal is steekt de boer eerst zijn hand in de achterkant en schraapt de nog onbevruchte eitjes uit de kip en gooit ze in de soep waar ze direct stollen. Ook het kommetje lauwe bloed wordt aan de soep toegevoegd waar het direct transformeert tot een bruin, amorf plakkaat. Met een mes maakt de boer een lengte-incisie in de nek om een ruimere toegang te verkrijgen tot het binnenste. Zijn rechterhand steekt hij in de kip en een handvol glimmende organen – waarin ik toch duidelijk een kleine maag en het darmenpakket kan ontwaren – komt tevoorschijn. Jenny is inmiddels teruggekeerd en roept de man wat toe. Zijn antwoord is hetzelfde abacradabra. “You want intestines in the soup?”, en aan mijn blik heeft ze genoeg. De boer pakt een vershoudbakje dat, hoewel het wat zwart is uitgeslagen, prima zijn werk zal doen voor de ingewanden.


De ongeëvenaarde gastvrijheid maakt het eten om nooit meer te vergeten. Natuurlijk proef ik ook mijn eigen inbreng, de kip is niet uit zichzelf kaalgeplukt. Als de man bij het toetje zelfs een zelfgestookte rijstewijn op tafel zet om de geroosterde pinda’s mee te begeleiden is het feestmaal eigenlijk compleet. Zijn woorden begrijp ik niet maar zijn gebaren zijn grensoverstijgend.

Met een volle maag en een lege blaas rijden we verder. Als ik op mijn horloge kijk bedenk ik me dat het vanavond dodenherdenking is. Het is vreemd om nu ineens 2 minuten absolute stilte in acht te nemen terwijl Jenny juist op haar praatstoel zit. Ik doorbreek mijn jarenlange gehoorzaamheid aan dit instituut en bedenk me dat ik over een uur of 7 tijdens de echte ceremonie op de Dam weinig geluid zal maken.

We verblijven in een huis op een rots met een lege vijver in de tuin. Het huis is enorm, met zeker 6 kamers en omdat het buiten het seizoen is en Jenny de kunst van het afdingen waarschijnlijk van een Chinees heeft geleerd, is de prijs die betaald moet worden ronduit lachwekkend. De lege vijver in de tuin kan gevuld worden en dat wordt ook gedaan. Uit de omringende rotsen wordt heet water gepompt dat door een gat in de vloer het bad in stroomt. Tussen de opstijgende waterdampen kunnen de lichtjes van de vuurvliegjes en de beneden gelegen stad worden ontwaard. Het heeft wel iets idyllisch.

De volgende morgen wil ik maar één ding en dat is lokaal ontbijten. We stoppen bij een restaurant net iets buiten het dorp. Het is er uitgestorven op de 10 medewerkers na. Terwijl de een ons naar de tafel begeleidt brengt de ander ons de menu’s terwijl weer een ander water in de glazen schenkt. “What you want to eat?”, is haar vraag en mijn antwoord luidt: “Typical Chinese”. “I can really recommend the fox. It’s from the neighborhood”, en zo wordt deze lokale lekkernij besteld bij weer een andere medewerker die haar briefje naar haar collega brengt achter de kassa die er een stempel op zet en het vervolgens aan iemand anders geeft die dit naar de keuken brengt. Communisme was nog nooit zo zichtbaar.

Een nieuwe bediende brengt het ontbijt. Een grote stomende pan wordt midden op tafel gezet. Erin zit een geleiachtige substantie met de viscositeit en de kleur van sperma. Aan de oppervlakte drijft een aantal grijze, ondefinieerbare stukken vlees. Met mijn stokjes til ik er één op die ik laat uitdruipen boven de pan. Terwijl de vloeistof naar beneden druppelt herken ik aan de lange achterpoten en de gedrongen kop het wezen: het is een kikker. Natuurlijk: frogs! De ‘r’ blijft lastig, zelfs voor deze Chinese schone.

Afstuderen




Haarlem, 12 april 2008








Beste genodigde,

Rustig zitten ze tegenover me, mijn opening van het gesprek afwachtend. Met een vriendelijke blik probeer ik hun leeftijd te schatten, zo tussen de 50 en 55 jaar denk ik zo. Een korte oogopslag op de status leert mij dat de vrouw – de patiënte in dit geval – 53 jaar is. In mijn gedachten bal ik mijn rechter vuist en tuit ik mijn lippen. De man, haar echtgenoot zo stel ik me voor, is meegekomen voor de morele ondersteuning van zijn vrouw. Of beter gezegd, van de verzakkings- en incontinentieklachten van zijn ega. Hij wil nu ook wel eens weten wat daar dan allemaal wel niet aan gedaan kan worden. Ik schraap de keel en steek van wal.

Het was de laatste week van het gynaecologie co-schap, op het moment van dit schrijven alweer anderhalf jaar geleden. Een vak van uitersten, zo zal ik het me herinneren. Aan de ene kant de nimmer vervelende verloskunde en aan de andere kant de uiterst gore gynaecologie met de verzakkings- en incontinentie problematiek als absoluut dieptepunt. De dag ervoor was het operatieprogramma gevuld met ingrepen die zich richtten op het herinrichten van de vrouwelijke onderaangezichten. Het bleek geen sinecure, zelfs niet voor de man die dit werk al jarenlang toch wekelijks een aantal maal verrichtte: “Moet je kijken Kees hoe deze baarmoeder als een soort kermisfluit naar buiten steekt! Gelukkig heb ik genoeg ruimte om te werken. Een paard met wagen kan hier keren”.

De vrouw die tegenover mij zat, kon daarvan gelukkig geen last hebben. In 1998 een AUE stond er in hakerig handschrift, en na een de Abdominale Uterus Extirpatie – of te wel het verwijderen van de baarmoeder via een snee in de buik – was er van een kermisfluit nog weinig sprake. Wel had ze last van incontinentie, een dagje winkelen op de zaterdag hiermee verdrijvend tot een zorgeloos genot in het verleden dat ooit was. Ik werk mijn rijtje af. Heb ik alles gevraagd of wil ik nog iets weten? Is ze bijvoorbeeld al menopauzaal? Toch maar even vragen. “Menstrueert u nog mevrouw?”. De stilte die valt is pijnlijk, het antwoord van haar man zelfs dodelijk. “Ze het toch geen bahmoedah!”.

Nu, door schade en schande wijs geworden, ben ook ik tot inzicht gekomen dat je voor een menstruatie niet alleen functionele eierstokken nodig hebt, maar ook een baarmoeder, of een afvoerend orgaan, zo u wilt. Iets van een leercurve is er dan toch geweest en dat is op zichzelf al een reden voor een feest. Het afstuderen zelf vond plaats in december maar nu ook Thieme klaar is aan de TU van Delft, leek een combi-fuif ons wel op zijn plaats. Welke plaats? Haarlem in dit geval, strategisch gelegen tussen onze beider vriendenkring.

Daar waar de zon schijnt


Tussen de gordijnen is de opening net groot genoeg om de eerste zonnestralen toegang tot de slaapkamer te verschaffen. Er hangt een oranje gloed en als ik naar het voeteneind kijk zie ik dat de bundel zonlicht schuin over mijn naakte lichaam loopt, beginnend bij mijn linker knie en doorlopend over de cremekleurige hand die op mijn rechter schouder rust, mijn kruis in het spotlicht zettend. Met de slaap in mijn ogen richt ik de aandacht op de moedervlek op haar rug: niet suspect voor iets maligne. Buiten begint een hond te blaffen, zijn soortgenoten aansporend tot hetzelfde, een kakafonie ontketenend. Een mug is op zoek naar een eiwitrijk ontbijt en zoemt rond mijn oor. Als het geluid is verdwenen weet ik dat de steek niet lang op zich zal laten wachten. Mijn laatste werkdag is aangebroken.

Om de files te ontwijken heeft ze de ringweg genomen: twee wegen met tweerichtingsverkeer onderbroken door een vaart waar waterlelies en huisafval op de oppervlakte drijven. De fietsers peddelen rustig naar hun bestemming terwijl Jane behendig de jeep slalomt langs eenieder die niet bereid is haar kruissnelheid van 100 km/uur aan te houden. Op een groot bord langs de weg lees ik dat de ringweg zijn nut heeft bewezen en "het centrum van Paramaribo met 40% ontlast!". "En belast de spoedeisende hulp wekelijks met een extra 40%", denk ik er als sub voce bij. De bewaker probeert haar de toegang tot de parkeerplaatsen bij het ziekenhuis te ontzeggen, maar ze manouvreert om hem heen, zijn verbouwereerde gezicht reflecterend op onze netvliezen door de binnenspiegel. "Vergeet de taarten niet", en met de handen vol loop ik de spoedeisende hulp binnen.

Het is een rustige laatste dienst en wanneer ik bloed naar boven heb gebracht van een vrouw die voor de 3e keer in 2 jaar een miskraam heeft, heb ik voldoende tijd om de taarten uit te stallen en de mierzoete frisdrank in te schenken. De man die ik woensdagavond heb geholpen ligt nog steeds te wachten op een plekje op de afdeling neurochirurgie. Een ruzie met zijn schoonvader ontaarde in mutilerende agressie toen een machette werd getrokken. Zeven grote snijwonden en een schedelbreuk waren het gevolg, hetgeen mij in totaal bijna 3 uur kostte om schoon te maken en te hechten. Hij wil graag een stuk mocca taart.

Mijn allerlaatste patient komt om 10 minuten voor het verstrijken van de dienst binnen. Er zijn 3 wachtenden voor hem maar zijn aandoenlijke bruine ogen, zijn prachtige moeder en de uitnodigend gapende wond op zijn voorhoofd geven dit mannetje de rode kaart in de triage: hij moet direct gezien worden! "Van de skelter gevallen", snikt hij. Zijn moeder, die zijn zus blijkt ze zijn, aait hem over zijn hoofd. Het lijkt de tranenvloed alleen maar te stimuleren.
Met een insulinenaald, de dunste die ik kan vinden, verdoof ik onder luid gekrijs, hevig gespartel en een trap tussen de benen van zijn zus, de wond op zijn voorhoofd. Na de vijfde steek zijn de wondranden bijeengebracht en verwijder ik het groene steriele laken van zijn hoofd. Mijn allerlaatste patient loopt stoer naar buiten, een grote witte pleister boven zijn neus. Een knipoog van zijn zus is de dank voor het consult.

Terug aan tafel bij de balie schrijf ik snel de status. De grote Creoolse zuster Tevreden gaat naast me zitten. "Hoe komt het toch dat jouw haar bovenop blond is en verder rood?". Zuster Pinas, een elegante en mysterieuze vrouw, kijkt nu ook aandachtig om. "De zon", zeg ik, "maakt het haar bovenop mijn hoofd blond. De rest blijft rood". "En tussen je benen dan?", vraagt zuster Tevreden en de twinkeling in haar ogen blijft niet onopgemerkt, "want daar schijnt nooit de zon!". Pas als de schuifdeuren zich achter mij sluiten wordt het geluid van hun schaterlach allengs minder.

Kindje maken?

Wapperend schud ik de overtollige druppels water van mijn handen. De handschoenen die zoveel worden gebruikt laten witte vegen achter op de huid en een kwartier hechten maakt de handen klam en stinkend. Met mijn vingers zoek ik naar de papieren handdoekjes maar de bak is leeg, zoals bijna altijd. Ik strijk over mijn broek en veeg de rest af aan mijn haren. Zo goed als droog pak ik de deurklink van de mannenkleedkamer vast en loop de gang in. De koele lucht is een verademing na de broeierige kleedkamer en snel zal ook het laatste beetje water ongemerkt zijn verdampt.

Tijd om daarover na te denken is er niet. Een Creoolse vrouw ligt kermend in een bed en komt mij tegemoet gereden. De dokter en de zuster duwen haar in draf mijn richting op, een absolute zeldzaamheid, gereserveerd voor die ene per-acute situatie die iedereen hier koste was kost wil vermijden. Zweetdruppels zijn verboden. Ik doe een paar stappen naar de deur en hou die open zodat ze hun pas niet hoeven te vertragen. Met de deur in mijn hand zie ik de grote bolling onder het groene laken, meebewegend met het krioelen van de vrouw. "Jij hebt toch al wel bevallingen gedaan, Kees?", vraagt de Hindoestaanse dokter aan me. Ze is getrouwd maar daardoor niet minder aantrekkelijk. Tijd voor het uitspreken van jawel is er niet. Ze gooit me een paar handschoenen toe. "Ze verwachten haar op de verloskamer maar als het kind in de lift komt, moet je maar alvast beginnen". Direct vertraagt ze haar pas en draait zich om terwijl ik het voeteneind van het bed vast pak, de handschoenen op het groene laken gooiend.

Eenmaal in de lift werp in een korte blik onder het laken. Glimmende zwarte haren laten zich makkelijk onderscheiden van het omringende droge haar. Het eerste behoort het kind, het tweede de moeder, die nu aan het krijsen is. De verpleegster staat er wat verveeld bij, leest de teksten die in de muur van de lift zijn gekrast. "Usha I love you", neem ik waar. "Niet persen mevrouw!", is mijn vruchteloze poging om de uitdrijving te vertragen. Als het hoofd eenmaal staat zal de persdrang met geen mogelijkheid meer zijn weg te zuchten. Bevallen zal wel zijn als overgeven, bedenk ik me, alles overheersend en niet te stoppen.

Zenuwachtig trek ik de handschoenen aan, de onhandigheid verraadt mijn nervositeit. "We zijn er bijna, mevrouw", is meer mijn aansporing aan de lift om ons sneller naar de 2e etage te brengen dan dat ik de vrouw gerust wil stellen. "Ik kan niet meer!", krijst ze, "Het komt, het komt!". De deuren van de lift gaan open en ook de zuster lijkt geen zin te hebben in het assisteren bij een bevalling in de lift en trekt het bed snel de gang op. Op de verloskamer heerst een rustgevende kalmte. De vrouw die ons ziet aan komen rennen kijkt verstoord op van haar boek. "Achterste kamer" zegt ze terwijl haar hoofd alweer naar beneden is gericht, "ik kom zo" er aan toevoegend.

We sporen de vrouw aan om op het verlosbed te gaan liggen en met vereende krachtinspanningen hijst ze zich op het witte laken met gele vlekken. De zuster lijkt opgelucht als het bed eenmaal leeg is en verdwijnt zonder wat te zeggen weer naar beneden. De vrouw puft en hijgt en zweetdruppels verzamelen zich op haar voorhoofd. "Ik kan niet meer! Haal dat kind eruit!", schreeuwt ze. Een golf vruchtwater loopt het bed op en een deel stroomt over mijn onderarmen. De haren zijn nu goed te zien en het hoofd drukt zich een weg naar buiten. "Dank u hoor dokter, ik neem het wel over", is de stenge stem die ik hoor. Een klotsend geluid trekt direct weer mijn aandacht naar de vrouw. Het hoofd van het kind is geboren en met de ogen gesloten kijkt een blauw gestuwd hoofd in de richting van de voeten van de moeder. "Doet u even de billen omhoog mevrouw", en de verloskundige schuift een ijzeren bak onder haar billen. Terwijl ze het doet, kijkt ze mij een paar seconden aan. "Was u vergeten dokter".
"Wilt u niet dat ik....", probeer ik om haar kilte te doorbreken. "U kunt gaan hoor. Wij doen hier de bevallingen". Ze trekt rustig haar handschoenen aan en met de handen voor haar borst in de lucht houdend kijkt ze me aan. Ik ben een paar meter van het bed gaan staan en het uitzicht op het babyhoofd dat uit de vrouw steekt is surrealistisch. De verloskundige loopt naar de vrouw toe, haalt de navelstreng van de nek van het kind en zonder een woord te zeggen trekt ze geroutineerd de baby uit de baarmoeder. Mijn inbreng hier is nutteloos, totaal overbodig.

Op de gang staat familie. "Wat is het geworden dokter?". Ik besef dat ik het geslacht, een essentieel onderdeel van iedere geboorte, volledig heb genegeerd. Ik loop terug en werk een blik tussen de benen van het kind en voordat ik de deur sluit zeg ik "Bedankt, mevrouw". Ze hoort me en terwijl ze de navelstreng aantrekt geeft ze me een korte knik, haar aandacht weer richtend op de meekomende moederkoek. "Een meisje", beantwoord ik de twee verwachtingsvolle familieleden op de gang.

Terug op de afdeling zit iedereen achter de balie, het is rustig en de hectiek van weleer is als sneeuw voor de zon verdwenen. Ik pak mijn klembord met wat statussen en ga aan de tafel zitten naast een Creoolse zuster met een gouden tand. "Gelukt Kees?", wordt er gevraagd. "Ja, een meisje. De verloskundige heeft het gedaan. We waren er op tijd", zeg ik tegen niemand in het bijzonder. De Creoolse zuster tikt me op de schouder en ik kijk haar aan. "Wanneer gaan wij een kindje maken, Kees?". Ik sta perplex, heb geen idee wat ik moet zeggen en verbluft staar ik haar aan. "Kees, die zuster heet Doest-Van Ommen. Weet je waarom dat is?", zegt de zuster die tegenover mij zit. "Kijk maar naar haar ringvinger. Als hij erachter komt, gaat hij je mars breken. Ik heet Linger en heb niets om mijn vingers. Beter kun je met mij een kindje maken". Ik zit gevangen tussen twee Creoolse vrouwen, heb geen idee wat ik hierop moet antwoorden en met mijn pen onderstreep ik op de status een bloeddruk die volledig normaal is. Een temperatuur van 37 graden krijgt een uitroepteken. Ze tikt weer op mijn schouder en vraagt, harder nu, "Wanneer gaan wij nou een kindje maken, Kees?". Ik kijk naar rechts. De getrouwde Hindoestaanse dokter heeft het gesprek gevolgd en ook de patient die aan de balie staat is zijn hoofdwond vergeten en beiden kijken mij verwachtingsvol aan. Opnieuw tikt ze op mijn schouders. "Kees! Kees! Wanneer?".

Hand voor de mond!

Ze is er weer! Mevrouw Kisandroe heeft een abonnement op behandelingen door de artsen van de Eerste Hulp, een veel - maar daardoor niet graag - geziene Hindoestaanse vrouw, een draaideurpatient. De combinatie van hoge bloeddruk en suikerziekte vormen de slagroom op de taart die chronische nierinsufficientie heet. De frequente ontregelingen die zij eenzaam ervaart, ervaren de artsen als routine. Als ze happend naar lucht door haar echtgenoot in een rolstoel naar binnen wordt gerold, zoeken drie paar ogen mijn blik. Als de arts aan mij vraagt "kun je even luisteren" weet ik dat dat synoniem staat voor de anamnese afnemen, lichamelijk onderzoek uitvoeren, bloed prikken, infuus aansluiten, een hartfilmpje maken, een longfoto schieten, een catheter inbrengen en overleggen met de internist. Dus leg ik mijn stethoscoop op haar rug en het luisteren begint.

Het geluid van drijvende longen is lastig te omschrijven, maar na het een keer gehoord te hebben zit het in de trommelvliezen gegrift. Met mijn rechter hand druk ik putjes in haar enkels en ook rond de knieen laat ik mijn vingerafdrukken achter. De buik klotst ritmisch onder mijn handen. Het overtollige vocht zit overal, behalve in haar blaas. De nieren hebben er duidelijk genoeg van en langzaam verdrinkt ze in haar eigen lichaamsvocht. Ze hapt naar adem maar ook de rode bloedcellen die het zuurstof naar de worstelende weefsels moeten brengen zijn schaars. Normaliter stimuleren de nieren het beenmerg, maar ze hebben hun voet van het gaspedaal gehaald en de motor staat op de handrem. De machine die bestuurd wordt door de mevrouw op het laboratorium kan dat alleen maar bevestigen. De cijfers doen pijn aan mijn ogen en met dergelijke concentraties afval aan boord moet ze zich hondsberoerd voelen. Mevrouw Kisandroe haar nierinsufficientie is terminaal.

Met de longfotos's, haar status en de laboratoriumuitslagen loop ik naar de polikliniek interne geneeskunde. Als ik de deur naar de overdekte gang opendoe, sta ik buiten. De airconditioning die op de Eerste Hulp zo goed haar werk doet, zorgt ook voor vertekening. Het is aangenaam warm en direct verlaag ik mijn tred. In de wachtruimte van de polikliniek zitten oude mannen en vrouwen in rolstoelen met hun voeten in het verband. Vandaag is diabetesdag voor Dokter Van Ommeren en onder mijn arm draag ik de samenvatting van een aanvulling aan deze suikermiddag.

Hij is een amaibele, aantrekkelijke man: bereid om, in tegensteling tot de meerderheid van zijn collega's, met mij te overleggen. Hij bezichtigt de foto's, legt uit, bekijkt de resultaten van mijn ochtends werk en glimlachend kijkt hij me aan. "Ze is een ideale kandidaat voor dialyse", zegt hij. "Moet ik de chirurg in consult vragen?", is mijn uitgesproken gedachte. Een groot vat op de arm geeft makkelijk toegang tot het apparaat dat het vergif uit haar lichaam gaat wegfilteren. "Is niet nodig", zegt dokter Van Ommeren. "De capaciteit van dialyse in Suriname is beperkt en het plafond is bereikt. Er wordt 24 uur per dag gedialyseerd en er is geen plek voor een nieuwe kandidaat". Misschien kan ze dan spoelen met behulp van het buikvlies als filter? "Dat kennen we niet in Suriname", is het duidelijke antwoord.

Nadat hij instructies aan mij heeft meegeven loop ik door de gang. De warmte is drukkend en vervelend. Nogmaals kijk ik op haar status, geboren in 1967 maakt haar 40 jaar oud. Dokter Van Ommeren vertelde dat hij haar een jaar geleden heeft aangeboden om met dialyse te starten maar dat dat aanbod was afgeslagen. "Dit is dus toch een beetje haar eigen schuld. Tragisch voor een moeder van 2 jonge kinderen".

Terug bij haar bed vertel ik haar over mijn bezoek aan haar dokter, de woorden dialyse, capaciteit en terminaal vermijdend. "We gaan met medicijnen proberen uw bloeddruk omlaag te krijgen", is het vergulden van een bittere pil. Ze lijkt het niet te horen, rechtop zittend en zwaar ademend door het zuurstofkapje. Samen met de zuster verplaats ik haar naar een ander bed. Ze moet hoesten en met haar rechter hand haalt ze het kapje van haar mond. "He vrouw, hand voor de mond!", zegt de verpleegster. "Als u niet uw hand voor uw mond doet, worden wij hier allemaal ziek en kunnen wij u niet beter maken".